Overwegingen

 

 

In de advent bereiden wij ons voor op Christus’ komst. Met Kerstmis vieren wij het feest van zijn aankomst, die ons uitkomst heeft gebracht. Zijn komst betekende voor ons het heil. Met het verlangen van de oudtestamentische eeuwen hunkert de Kerk naar de dag waarop Chris-tus’ eerste komst onder de mensen herdacht wordt. Dit verlangen gaat echter niet alleen uit naar een herdenkingsfeest. Advent en Kerstmis zijn niet louter symbool en herinnering aan lang verleden gebeurtenissen. Zij zijn verleden en heden tegelijk: het is een doorlopende en voortdurende werkelijkheid dat Christus onder ons geboren wordt, dat wij verlost en bevrijd worden van eigen boosheid. Kerstmis is telkens opnieuw: ons heil, omdat Christus werkelijk komt. Het feest van Kerstmis brengt ons het heil steeds weer nabij. Daarom is ook iedere ad-vent weer het verlangen naar Christus’ komst en naar ons heil omwille van onze eigen nood en onze eigen ontoereikendheid. Het smeekgebed van Isaïas’ Rorate heeft voor ons zijn diepe zin behouden: “Dauwt hemelen, de rechtvaardige; toef niet langer; kom Jezus, kom!

 

Zijn komst zal meer voor ons betekenen naarmate ons verlangen groter is. Hoe sterker en doel-bewuser wij hunkeren naar zijn komst, hoe vruchtbaarder en rijker de ontmoeting zal zijn. Gods toereikenheid stemt zich af op onze overtuiging en eigen ontoereikendheid. Zijn hulp reikt juist naar onze nood. Hij is de redder die scherp luistert naar onze noodkreten en ons hulp- geschrei. Er is niets wat zo slecht overeenkomt met de adventsgedachte van de Kerk als menselijke eigenwaan, voldaanheid en gezapige tevredenheid. Zij veronderstelt juist de on-vrede met ons zelf, de zekerheid van eigen machteloosheid, het bewustzijn van eigen zondig-heid. Aan de adventsgedachte van de Kerk ligt vóór alles het dogma van de erfzonde ten grondslag. De erfzonde die aan satan zo’n grote invloed op ons geeft en die ons zelf zo sterk doet neigen naar het kwaad en de zonde. Daarom past de zelfkennis van de psalmist geheel en al bij de advent. Hij belijdt telkens opnieuw in de psalmen zijn eigen nood en roept tot de Heer: “Als Gij onze zonden blijft gedenken, Heer, wie zal dan staande blijven? Bij u is verge-ving van de zonden. Daarom stel ik mijn hoop op u en verlangend zie ik uit naar uw komst. Hij zal ons verlossen van alle ongerechtigheden” (psalm 29). Een andere psalm luidt: “Ontferm u over mij, o God, overeenkomstig uw barmhartigheid. Mijn boosheid erken ik en mijn zonde staat mij steeds voor mijn ogen. Mijn offer, o God, is een rouwmoedige geest, een berouwvol en vernederd hart zult Gij niet versmaden, God. Handel met mij volgens uw goedheid” (psalm 50). In psalm 39 bidt de psalmist: “Mijn zonden hebben mij aangegrepen. Talrijker zijn zij dan de haren op mijn hoofd en de moed is mij ontzonken. Ach, ik ben ellendig en arm, maar de Heer is vol zorg voor mij. Mijn helper en redder zijt Gij, mijn God, snel mij te hulp”. In de psalmen vindt men zulke heerlijke adventsgebeden. Gebeden van een rouwmoedige geest, die werkelijk alle vertrouwen op de hulp van God stelt. In deze gebeden kunnen we onze nood belijden. Daarin kunnen we ook ons vertrouwen op God bekend maken. Zij voeden ons ver-langen naar de Komende en zij bereiden ons voor op de ontmoeting met God zelf. God wil ons ontmoeten. Hij is voor ieder mens de Komende, reeds onderweg naar de mens toe. De goede Herder gaat zelf op zoek naar het verloren schaap. In de ontmoeting tussen God en de mens, kan alleen de mens degene zijn die de ontmoeting niet wil. God is altijd de komende, hoe zeer de mens Hem ook ontwijkt. Kom dan, Heer, tot mij en toef niet langer. Kom met uw heil en uw hulp. Heer, haast u, om mij te helpen.

 

Straks zullen in de kribbe de beelden staan van een os en een ezel. Ze zijn een herinnering aan een woord van Isaïas, dat ook voor ons nog een waarschuwing inhoudt. Toen deze profeet de joden verweet, dat ze God de rug hadden toegekeerd, zei hij, dat ze erger dan deze beesten waren, want de os weet wie zijn eigenaar is en de ezel kent de kribbe van zijn meester. Het mag niet zo zijn dat wij ons met Kerstmis voor deze beelden moeten schamen. Wij moeten de Heer zoeken; wij moeten gaan tot de wateren, omdat onze dorst naar gerechtigheid gelest moet worden. Wij moeten ons overeenkomstig het woord van de heilige Caesarius zoveel mo-gelijk met Gods hulp inspannen om op de dag van Kerstmis met een oprecht geweten tot de Heer te kunnen naderen. Wij zullen Hem dan niet alleen ontmoeten, maar we zullen zijn Li-chaam ontvangen tot geneesmiddel van onze ziel. Ons leven immers vindt zijn bestaan in Christus’ Lichaam, want wij hebben het Leven niet in ons, als wij zijn Lichaam niet ontvan-gen. Laat mijn verlangen naar u groeien, o Heer. Laat voor mij uw heil nabij zijn. Kom, Heer Jezus, kom.

 

Vandaag viert de Kerk ook het feest van de heilige Bibiana, maagd en martelares. Zij leefde omstreeks 363 na Christus en werd in Rome geboren uit een adellijk geslacht. Even als haar ouders, Flavianus en Dafrosa, stierf zij onder keizer Julianus de Afvallige, de marteldood. De legende luidt aldus: Bij de marteldood van hun ouders werden Bibiana en haar zuster Deme-tria van al hun bezittingen beroofd. Apropianus, een toenmalige hoge ambtenaar, wilde hen tevergeefs met beloften en bedreigingen het geloof laten afzweren, maar zij bleven onwrik-baar. Demetria zakte daarbij plotseling voor de ogen van Bibiana neer en overleed. Toen de pogingen van de ambtenaar om via een zondige vrouw Bibiana tot het kwaad te verleiden, mislukten, liet hij haar zo lang met lood verzwaarde roeden geselen tot ze bezweek. Haar li-chaam bleef ongeschonden, toen het twee dagen lang als prooi aan honden was gegeven. De priester Johannes begroef haar ’s nachts naast het graf van haar moeder. Tot zover de legende. Op die plek staat nu een kerk die aan de heilige Bibiana is gewijd. Daar werden bij de ver-bouwing in 1625 de overblijfselen van haar en haar familieleden ontdekt.

 

 

“God die de Gever zijt van alle goed en in uw dienares Bibiana de zegepalm van het martelaarschap met de bloem van maagdelijkheid hebt verenigd, hecht ons op haar voorspraak dusdanig in uw liefde, dat wij aan alle gevaren mogen ontkomen en de eeuwige beloning verwerven. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon on-ze Heer, die met u leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.”