Overwegingen

 

MARIA ZETEL DER WIJSHEID

 

 

 

 

De maand oktober is evenals de maand mei aan de H.Maagd Maria toegewijd. Een van haar eretitels is “Sedes sapientiae” ofwel “Zetel der wijsheid”. Tal van teksten van het epistel van de Mariafeesten zijn dan ook ontleend aan het oudtestamentische boek der Wijsheid. De Latijnse naam hiervan is “Liber Ecclesiasticus” en betekent “Het kerkboek”.  De schrijver hiervan is een zekere Jesus Sirach. Hij was afkomstig uit een voorname familie van Jeruzalem (Eccl.50,27), behoorde tot de intellectuele aristocratie en schreef zijn boek naar alle waarschijnlijk tussen 180 en 171.  In die tijd was Iraël een onderdeel van het Syrische rijk van de Seleuciden. Uit eigen initiatief maar ook op uitnodiging van joodse kringen die zich wilden aanpassen aan de heidense hellenistische cultuur, trachtten de Seleuciden in het kader van een politieke eenwording de joden te helleniseren ofwel te vergrieksen. Dat streven was gebaseerd op het van Alexander de Grote geërfde idee van “unity of mankind” ofwel “eenheid van de mensheid”. In tegenstelling met zijn voorvaderen probeerde Antiochus IV Epifanes (175-164) de gelovige joden met geweld hiertoe te dwingen. Daartoe probeerde hij zijn godsdienst in te voeren. In dat kader liet hij op 8 december 167 in de tempel te Jeruzalem boven op het bestaande offeraltaar een heidens offeraltaar bouwen. Deze staat bekend als de gruwel der ontheiliging (1.Makk.1,54). Jezus verwijst hiernaar in Mt.24,15. Hij doet dit in samenhang met zijn Wederkomst. In de periode die hier onmiddellijk voorafgaat, zal eveneens geprobeerd worden wereldwijd een antichristelijke eenheid op te bouwen. Daartoe zal in die tijd eveneens een gruwel der ontheiliging worden opgericht. Dit is de tafel met de eucharistieviering die Paulus VI naar aanleiding van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) in 1969 heeft ingevoerd.

 

Jesus Sirach schreef dus zijn boek aan de vooravond van die periode die een voorafbeelding is van onze tijd. Hij zelf was een geleerde, een wijze, en een leraar van de wijsheid die de jongelui wilde opleiden in wijsheid. Dit was voornamelijk een praktische levenskunst die gebaseerd was op de vreze, ofwel eerbied Gods en op de eerbied voor de wet van Mozes. Het boek Ecclesiasticus is evenals het boek Spreuken een verzameling van raadgevingen en spreuken die betrekking hebben op de wijsheid, de ware godsdienstige levensopvatting en de goede zeden.

 

Voor ons onderwerp is vooral Ecclesiasticus 24 van belang. Dit hoofdstuk wordt ook wel aangeduid met “Het hooglied van de wijsheid”. De katholieke Kerk heeft de meest belangrijke passages uit dit hoogtepunt van wijsheid toegepast op de “sedes sapientiae” ofwel “de zetel der wijsheid” c.q. op Maria. De toegepaste tekst die samengesteld is uit de epistels van meerdere Mariafeesten, luidt aldus:

 

Uit de mond van de Allerhoogste ben ik voortgekomen, de eerstgeborene van geheel de schepping. In de hemelen was mijn woning; mijn zetel was een wolkenzuil. Overal op aarde was ik aanwezig en ik heerste over alle volkeren en naties. De harten van allen, groten en kleinen, bedwong ik door mijn kracht. In den beginne en vóór alle eeuwen ben ik voortgebracht, en tot in eeuwigheid zal ik niet vergaan; en ik deed voor Hem dienst in de heilige woontent. Zo kreeg ik op Sion vaste woonplaats, en vond ik rust in de heilige stad, en werd Jeruzalem de zetel van mijn heerschappij. Zo heb ik wortel geschoten onder een roemrijk volk dat zijn erfdeel bezit in het land van mijn God; en midden onder de heiligen had ik mijn verblijf. Als een wijnstok breng ik vruchten voort van zoete geur en mijn bloesem draagt heerlijke en rijke vrucht. Ik ben de moeder der edele liefde, van de vreze, de kennis en de heilige hoop. In mij is alle genade van de weg van de waarheid, in mij is alle hoop op leven en deugd. Komt tot mij, gij allen, die mij begeert, en verzadigt u aan mijn vruchten. Want mijn geest is zoeter dan honing en mijn erfdeel gaat boven honingraat; mijn aandenken blijft tot in alle tijden. Wie van mij eten, verlangen nog meer en wie mij drinken, hebben nog meer dorst. Wie naar mij luister, wordt niet ten schande en wie mij in beoefening brengen, doen geen kwaad; wie mij doen stralen naar buiten, zullen het eeuwige leven bezitten” (Eccl.24,5.7.9-11.14-16.23-31).

 

Wanneer wij in grote lijnen deze tekst analyseren met betrekking tot Maria, dan laat de Kerk Maria zichzelf roemen te midden van haar volk bij wie ze haar intrek heeft genomen. Haar volk is de gemeente ofwel de kerk van de Allerhoogste, zijn heerschaar. Zij die vervuld is van Gods wijsheid, gaat zichzelf verheerlijken als het meest verheven schepsel dat God geschapen heeft. Gezien haar plaats in Gods heilsplan zegt Maria terecht van zichzelf, dat zij als het ware uit de mond van de Allerhoogste voortkwam. Als hulp van Gods Zoon kan zij zich eveneens terecht de eerstgeborene van geheel de schepping noemen. Hierdoor opgenomen in de goddelijke Drie-een- heid en ver verheven boven de andere stervelingen kan zij zeggen: “In de hoogten sloeg ik mijn tent op en mijn troon rustte op een wolkenzuil” en “Vóór de eeuwen, van de aanvang af, ben ik door Hem (God) gevormd en ik blijf tot in eeuwigheid bestaan.” Door haar fiat is Maria als genadevoorspreekster werkzaam in de heilige tent i.e. onder Gods uitverkorenen, en neemt ze naast haar goddelijke Zoon en Nieuwe Adam een zodanig centrale plaats in hun leven in, dat ze met recht kan zeggen, dat ze in het leven van deze gezegenden die samen Gods koningrijk ofwel Gods stad Sion, het hemelse Jeruzalem op aarde vormen, een vaste woonplaats heeft. Maria woont onder deze lievelingen van God en regeert als koningin over hen. Zij is zodanig verbonden met deze gelovigen die als verlosten het erfdeel van God vormen, dat zij met recht kan zeggen: “Zo schoot ik wortel temidden van een roemrijk volk, in het erfdeel van Jahwe, midden in zijn bezit.” Als de hulp van de Zoon van God steeg Maria ver uit boven alle andere schepselen. Daarom kan zij met recht zeggen: “Ik rees omhoog als een ceder op de Libanon, als een cypres op de berg Hermon.” Het cederhout was bestemd als bouwmateriaal voor de tempel te Jeruzalem, Gods woonplaats temidden van zijn volk (2.Kron.2,1-15). Door al de genadegaven waarmee Maria werd uitgerust om voor Gods Zoon als diens moeder en bruid een hulp te kunnen zijn, is Maria in geestelijk opzicht tot zeer grote hoogte gestegen en de heerlijkste vrucht van Gods schepping. Zij beschrijft in dit hooglied van de wijsheid haar bloei en haar schoonheid. Deze zijn door haar fiat alleen maar toegenomen en hebben bij haar tenhemelopneming met ziel en lichaam hun grootste glans gekregen. We lezen daarom: “Ik schoot op als een palm in En-Gedi (een oase), als rozenstruiken in Jericho, als een schone olijf op het veld, en ik werd groot als een plataan” (Eccl.24,14). Maria beschrijft haar geestelijke rijkdommen met de schoonste vruchten die het Beloofde Land zelf voortbrengt en met vruchten die daar ingevoerd werden zoals kaneel en muskaat. Ze zegt van zichzelf: “Als kaneel en balsem verbreidde ik een geur van specerijen en als uitgelezen mirre verspreidde ik een lieflijke reuk, als hars en nagelen en mirre-olie, als een wolk van wierook in de tabernakel” (Eccl.24,15). Maria heeft als de Nieuwe Eva naast de Nieuwe Adam een talrijk geestelijk nageslacht verworven dat aan God welgevallig is. Daardoor is ze als een wijnstok met tal van loten: “Als een wijnstok schoot ik frisse loten en mijn bloesem gaf heerlijke en rijke vrucht.” Terecht kan de Kerk van Christus Maria van zichzelf laten zeggen: “Ik ben de moeder der schone liefde, van de godsvrucht, de kennis en de heilige hoop. In mij is alle genade van leven en waarheid, in mij alle hoop op (eeuwig) leven en deugd.” Zij wordt immers door de gelovigen van de Kerk van Christus vereerd als: “Moeder van Christus, moeder van de goddelijke genade. Zij is de allerreinste, zeer kuise, maagdelijke, onbevlekte en beminnelijke moeder. Wij vereren haar als moeder van goede raad en bewonderenswaardige moeder. Zij is de allervoorzichtigste, de eerwaardige, de machtige, de lofwaardige, de goedertieren en de getrouwe maagd. Ze wordt vereerd als spiegel van gerechtigheid, zetel van wijsheid, geestelijk vat, eerwaardig vat, heerlijk vat van godsvrucht en mystieke roos. Zij is de toren van David, de ivoren toren, het gouden huis, de ark van het verbond, de deur van de hemel, en de morgenster die aan de komst van Christus als goddelijke Zon voorafgaat. Tenslotte wordt zij vereerd als heil van de zieken, toevlucht van de zondaars, troosteres van de bedroefden en hulp van de christenen.

 

„Maria, zonder zonden ontvangen, wees onze voorspreekster”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

id="foto-inhoud1"